Welke uitdagingen zien we vandaag nog?

Er zijn heel wat nuances aan te brengen in het debat rond open data. Er blijven nog een aantal vragen en uitdagingen over die een antwoord zullen moeten krijgen om het potentieel van open data volledig waar te kunnen maken. Voor een introductie rond open data lees je best eerst deze pagina

Digitalisering, data en de organisatie

De eerste uitdaging voor verschillende besturen situeert zich vaak nog op het vlak van de digitalisering en het op een correcte manier omgaan met gegevens binnen de organisatie. Het lijkt misschien wat contra-intuïtief, maar hier kunnen met open data op korte termijn de grootste winsten geboekt worden voor de overheidsorganisatie zelf. Door de data van anderen én de eigen data meer te hergebruiken, hoeft men niet langer op zoek te gaan naar de meest recente of complete informatie. Maar dit houdt dus wel in dat het belang van het goed omgaan met data tot op het niveau van de individuele werknemer doordringt. Dat wil ook zeggen dat er vanuit organisatieperspectief over data en het goed beheer ervan een plan wordt opgesteld en uitgevoerd. De zogenaamde datahygiëne binnen de organisatie voortdurend op peil houden is dus een eerste langetermijnuitdaging om een duurzaam opendatabeleid te implementeren.

 

In deze context zal interoperabiliteit blijvend aandacht vragen. Het belang van standaarden en transparante afspraken over het uitwisselen van data zal enkel toenemen en het vraagt een investering van de organisatie om op voldoende technische expertise te kunnen terugvallen om hier de juiste beslissingen in te maken. Interoperabiliteit en het idee dat data en diensten als afzonderlijk gezien kunnen worden, moeten voorkomen dat data opgesloten raken in systemen van leveranciers. Het vermijden van de eerdergenoemde vendor lock-in houdt in dat de relatie tussen een overheid en haar dienstenleveranciers evolueert van een typische klant-leverancierverhouding naar een partnerschap waarin data makkelijk van het ene systeem naar het andere verplaatst kunnen worden wanneer nodig of wenselijk.

Het Internet of Things als complicerende factor

Het Internet of Things (Internet der dingen, IoT) betekent een extra complicerende factor wanneer we het vanuit het oogpunt van data bekijken. IoT wordt vaak in één adem genoemd met Smart Cities en zet vooral in op het idee ‘meten is weten’. Door de publieke ruimte uit te rusten met sensoren die allerhande gegevens verzamelen moet het mogelijk worden beter te analyseren, te sturen en beleid te maken op basis van die meetgegevens.

 

Dit brengt echter een complexiteit met zich mee op een aantal niveaus. Meer dan ooit moet er samengewerkt worden tussen verschillende actoren. Denk bijvoorbeeld aan de lage emissiezone in de Stad Antwerpen. De sensoren zijn in dit geval de slimme camera’s die nummerplaten kunnen uitlezen en zo achterhalen of een wagen de stad binnen mag of dat er eventueel een boete verstuurd moet worden. Om deze oplossing mogelijk te maken is er uitgebreide samenwerking en datadeling nodig tussen verschillende overheden en hun administraties, de politie en haar databanken, bedrijven die de infrastructuur en achterliggende software uitrollen, burgers die mogelijk een boete in de bus krijgen enzovoort. IoT betekent dus vaak dat vele verschillende actoren en bestuursniveaus moeten samenwerken en tot zeer transparante oplossingen moeten komen om burgers niet (al dan niet terecht) ongerust te maken.

 

Los van de vaak complexe samenwerkingsvormen is er dan de uitdaging rond de verwerking van al de gegevens die door sensoren en andere IoT-oplossingen verzameld worden. Het is logisch dat hoe meer sensoren er uitgerold worden in de stad, hoe meer data deze gaan genereren. Al die data moeten verwerkt worden – veelal de taak van een externe leverancier – maar wat meestal nog niet duidelijk is, is of en hoe de verzamelde data ook gearchiveerd dienen te worden. Historische analyses kunnen vaak erg interessante inzichten opleveren of zelfs voorspellingen mogelijk maken, maar hoelang hou je bepaalde datasets bij? Na hoeveel tijd moet je data wissen indien er persoonsgebonden gegevens aan gelinkt zijn? Wie is verantwoordelijk voor de opslag en toegang? Het is belangrijk hier goed a priori over na te denken en dit waar relevant ook op te nemen in overeenkomsten met derde partijen en leveranciers van IoT-oplossingen.

 

Een laatste aanzienlijke uitdaging rond IoT-data is hoe deze gegevens op een duurzame manier te ontsluiten voor hergebruik. Het kan namelijk, in de geest van open data, zeer interessant zijn om ook realtime gegevens van IoT-oplossingen als open data te publiceren voor hergebruik door anderen. Dit kan burgers bijvoorbeeld in realtime inzage geven in de luchtkwaliteit in hun straat, nieuwe vormen van druktemeting mogelijk maken enzovoort. Dit wil echter wel zeggen dat er een degelijke infrastructuur voorzien (of aangekocht) moet worden die een dergelijke snelle verwerking, publicatie en archivering van sensormetingen aankan. Er zijn vandaag al oplossingen beschikbaar, maar als de populariteit van IoT-oplossingen in hetzelfde tempo blijft toenemen, zal in de toekomst meer ten gronde aan deze uitdaging tegemoetgekomen moeten worden.

Kerntakendebat I: lokaal en regionaal

Eerder in dit boek behandelden we de vraag of lokale besturen al dan niet zelf over een opendataportaal zouden moeten beschikken. Deze vraag is gerelateerd aan een breder debat rond centralisatie versus decentralisatie. We verwijzen hiermee vooral naar de vraag op welke manier data het best naar buiten gebracht worden en wie welke rol opneemt.

 

Wat in dezen cruciaal is, is dat de data makkelijk terug te vinden zijn voor hergebruikers. Hiermee staat of valt het succes van een opendatabeleid. Het is dus nodig dat er in eerste instantie goed gecommuniceerd wordt door een lokaal bestuur over de open data die het ter beschikking stelt, maar ook dat de gegevens terug te vinden zijn voor eenieder die ernaar op zoek is (bijvoorbeeld ook in het buitenland). Wanneer men decentraal gaat publiceren (bijvoorbeeld op de website van de gemeente) is het dus van belang dat men de data op een degelijke manier gaat beschrijven. Door ook hier weer standaarden te gebruiken zoals DCAT, stroomt de informatie over de data (en niet de dataset zelf) door naar het Vlaams Open Data Portaal, het federale portaal, het Europese en eventuele andere portalen die deze standaard hanteren (zoals bijvoorbeeld het in 2018 gelanceerde Google Dataset Search).

 

Het volledig decentraal publiceren van open data is dus technisch gezien mogelijk, maar legt wel een aantal bestuurskundige en organisatorische aandachtspunten bloot. Zo moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden over de gehanteerde standaarden en moeten deze correct toegepast worden wanneer een dataset gepubliceerd wordt op de eigen website. Dat vraagt opvolging en eventuele remediëring wanneer er iets fout loopt. Aangezien open data niet bij elk lokaal bestuur even hoog op de agenda staan, is dit vaak waar het schoentje wringt. Daarnaast zijn er uiteraard ook niet altijd de middelen om in dergelijke opvolging en kennis rond open data te voorzien. Zeker voor kleinere besturen of besturen waar voldoende technische ondersteuning ontbreekt, kan een meer gecentraliseerde aanpak dus wel voordelig of zelfs nodig zijn.

 

Dan wordt de vraag op welk niveau dergelijke ondersteuning zich moet situeren. Heeft Vlaanderen als voortrekker rond open data hier een rol in te spelen ten aanzien van besturen die onvoldoende capaciteit hebben om ermee om te gaan? Wat met intercommunales? De provincie? Wat is de rol van een centrumstad ten aanzien van omliggende steden en gemeenten? Of nieuwe vormen van intergemeentelijke samenwerking zoals S-Lim in de provincie Limburg of het Toekomstforum in de regio Halle-Vilvoorde? Voor lokale besturen die met een dergelijke uitdaging geconfronteerd worden is het niet eenvoudig hier een antwoord op te bieden, al lijkt een vorm van samenwerking en het delen van de lasten (en lusten) wel de weg vooruit.

 

Wanneer we verder aan linked open data denken is een extra uitdaging het toekennen van URI’s, de links die als identificator gebruikt worden om naar data te verwijzen. Er kunnen immers het best ook afspraken gemaakt worden over welke organisatie een URI toekent en hoe deze er dan uitziet. Sommige steden geven aan dit liever zelf te doen, terwijl andere besturen hier graag in ondersteund zullen willen worden. Ook hier zijn dus weer duidelijke afspraken nodig en een beleid dat maximaal inzet op standaarden en ondersteuning.

 

Een eerste belangrijke vraag in het kader van kerntaken is dus wie welke rol opneemt vanuit de verschillende overheden en wie een duidelijk mandaat heeft om waar nodig bepaalde zaken af te dwingen. Een bredere governance van het Vlaamse overheidsdatalandschap dringt zich op. Het Stuurorgaan Vlaams Informatie en ICT-beleid heeft alvast de ambitie en het mandaat hier een duidelijke rol in te gaan spelen, maar om tot een transparantere governance rond open data te komen, zullen de betrokkenheid en het engagement van alle relevante bestuursniveaus noodzakelijk zijn. Het onderschrijven van het Open Data Charter door zowel de centrumsteden als de Vlaamse Overheid is hier een belangrijke stap in, maar de ambitie van het Charter zal wel in concrete actieplannen vertaald moeten worden.

Kerntakendebat II: de overheid en de markt

Naast de vraag welke overheidsinstantie een bepaalde rol opneemt is er een tweede vraag rond kerntaken te identificeren, namelijk welke rol de overheid moet opnemen en wat er aan private spelers gelaten wordt? Dit is veelal een politieke beslissing, die zal evolueren naargelang de dominante zienswijze en het is dus in die zin een ‘moving target’.

 

Dit wil echter niet zeggen dat deze vraag niet voortdurend op de radar van beleidsmakers moet blijven, aangezien een bepaalde keuze voor ‘meer’ of ‘minder’ overheid uiteraard gevolgen kan hebben voor het type of de kwaliteit van dienstverlening aan de burger.

 

Een van de belangrijkste vragen in het kader van open data draait rond het stimuleren van hergebruik: is het een taak van de overheid om ervoor te zorgen dat data ook hergebruikt worden? De principes die in het Open Data Charter opgenomen zijn (en door de dertien centrumsteden en de Vlaamse Overheid onderschreven werden) geven alvast aan dat er een rol voor de overheid is weggelegd door uiteraard (1) ervoor te zorgen dat data makkelijk terug te vinden en te hergebruiken zijn, maar ook (2) dat er een dialoog wordt aangegaan met potentiële hergebruikers om zich ervan te vergewissen of de data die ontsloten worden ook de meest relevante of interessante zijn voor hergebruikers. Aangezien open data ook vrij zijn voor commercieel hergebruik, kan je bedrijven moeilijk uitsluiten van deze dialoog. Maar hoe zorg je ervoor dat er niemand een oneerlijk voordeel heeft (bijvoorbeeld door voorkennis over beschikbare data of een specifieke uitdaging van de overheid)? Transparantie over zowel proces als resultaat is hier van primordiaal belang.

 

Een tweede cruciale vraag draait rond de relatie tussen overheid en leverancier: wat ga je als overheid afdwingen van de markt? Je kan bijvoorbeeld de voorbeeldclausules rond open data gebruiken om een aantal basisvereisten veilig te stellen. Maar ga je hier als overheid bijvoorbeeld ook strafclausules aan koppelen? Wat is je effectieve slagkracht wanneer systemen van verschillende leveranciers toch niet compatibel blijken en ze naar elkaar wijzen? Er is geen eenduidig antwoord op deze vragen, maar de transparante dialoog waar in de vorige paragraaf naar verwezen werd kan wel een deel van een antwoord bieden. Daarnaast moet de klassieke manier van aanbesteden voor een deel losgelaten worden en kunnen nieuwe manieren van aanbesteden (innovatief aanbesteden) ingeschakeld worden om dergelijke problemen beter te vermijden.

 

Een overheid wordt geacht op te treden in het publiek belang. Wanneer het om het gebruik van data gaat, wordt deze rol eens zo belangrijk, maar ook des te complexer. Het is dus meer dan ooit van tel zich goed te informeren over welke de nieuwe mogelijkheden zijn en zich sterker te positioneren ten aanzien van leveranciers, zeker als het gaat om data. Door vanuit een meer onderbouwd inzicht en gedeelde principes te vertrekken, wordt het mogelijk om weg te evolueren van een typische klant-leverancierverhouding, naar een echt partnerschap. In het kader van open data is het de rol van de overheid te streven naar een maximaal en divers hergebruik van data, via een transparant en eerlijk proces.